Revisieoperatie bij een knieprothese
De behandeling van een protheseprobleem is maatwerk. Eerst moeten we de oorzaak van het probleem achterhalen, waarna we een behandelvoorstel kunnen doen. Soms zijn er oplossingen waarvoor geen nieuwe operatie nodig is. Bijvoorbeeld een brace of specifieke (fysio)therapie. Maar soms is het noodzakelijk om een nieuwe operatie uit te voeren.
Voor de behandeling van prothese-infecties zijn er verschillende opties. De meest voorkomende is een zogenaamde ’two-stage revisie’. Hierbij wordt in de eerste operatie zo veel mogelijk alle niet-lichaamseigen materialen (metaal, plastic, botcement) verwijderd. Als het mogelijk is, wordt vervolgens een tijdelijke ‘spacer’ (letterlijk: ruimtehouder) van botcement geplaatst in de plaats van de oorspronkelijke prothese. Hierna vindt een intensieve antibioticakuur van 6 weken plaats. De bedoeling is om daarna een nieuwe knieprothese terug te plaatsen. Hierna gaat de antibioticakuur nog eens 6 weken door.
Als er geen verdenking is op een infectie zal tijdens de operatie eerst de oude prothese worden verwijderd en vervolgens de nieuwe, vervangende prothese worden geplaatst. Wanneer de prothese wordt verwijderd, moet deze worden losgemaakt van het bot. Dit gaat altijd gepaard met enig botverlies. Vanwege dit botverlies zal er meestal een ander, groter soort prothese worden teruggeplaatst. Deze nieuwe prothese heeft stelen in het onder- en bovenbeen, waardoor die extra steun krijgt. Op deze wijze kan weer een goede en betrouwbare verankering van de prothese aan het resterende bot worden bereikt.