Carpaal Tunnel Syndroom (Folder)

Neurologie Orthopedie Plastische chirurgie
Michelangelolaan 2
5623 EJ Eindhoven
040 - 239 91 11
Catharina een Santeon ziekenhuis

Carpaal Tunnel Syndroom (Folder)

U bent doorverwezen naar de polikliniek Neurologie of Plastische Chirurgie van het Catharina Ziekenhuis omdat u last hebt van het Carpaaltunnelsyndroom. In deze folder leest u meer over dit syndroom en de behandelmogelijkheden in ons ziekenhuis.

Wat is het Carpaaltunnelsyndroom?

Het Carpaaltunnelsyndroom is een aandoening aan de binnenzijde van de pols waarbij de middelste armzenuw bekneld zit in de carpale tunnel. Dit is een nauw kanaal dat wordt gevormd door de handwortelbeentjes en een stevig peesblad tussen pink- en duimmuis aan het begin van de handpalm.

De middelste armzenuw raakt bekneld in deze carpale tunnel wanneer het bindweefsel of de bekleding van de pezen in en rondom de carpale tunnel gezwollen is. In de carpale tunnel lopen de buigpezen van de vingers en de middelste armzenuw, deze zenuw is meest gevoelig voor druk door de zachte structuur.

Carpaaltunnelsyndroom kan aan beide handen voorkomen.

Klachten

Het Carpaaltunnelsyndroom veroorzaakt meestal een tintelend of pijnlijk gevoel in uw hand en vingers (vooral de duim, wijs- en middelvinger en een deel van de ringvinger). In uw vingertoppen kan een doof gevoel ontstaan.

Soms neemt de kracht in de hand af waardoor er makkelijk dingen uit de handen kunnen vallen. Ook kan de duimmuis slinken.

De klachten zijn ’s nachts het ergst, maar u kunt er ook overdag last van hebben. Bijvoorbeeld tijdens het autorijden, het lezen van de krant en op de fiets. Ook na stevige handenarbeid kan de pijn verergeren. De meeste mensen hebben de verschijnselen aan één hand maar het is ook mogelijk dat u van beide handen last krijgt.

Oorzaken

Vaak is de oorzaak een zwelling van één van de peesomhulsels in de pols. Daarnaast kan intensief gebruik van de hand de druk in de tunnel verhogen. Ook kan het dikker worden van de peesomhulsels door hormoonveranderingen bij zwangerschap, borstvoeding of de overgang een oorzaak zijn. Evenals ziekten zoals reuma, suikerziekte en een langzaam werkende schildklier.

Onderzoek

Om te bepalen of u het carpale tunnelsyndroom heeft, stelt uw arts u vragen over uw klachten en wordt uw hand onderzocht. Daarnaast kan de diagnose bevestigd worden door een EMG. Bij een EMG meet de neuroloog de geleiding over een zenuw. Meer informatie hierover vindt u in de folder ‘Electromyogram’. Als er twijfel bestaat over de diagnose kan er nog een echografisch onderzoek uitgevoerd worden.

Behandelmogelijkheden

Soms is uitleg over de aandoening voldoende als de klachten licht zijn en kan de patiënt afwachten om te zien of de klachten vanzelf overgaan. Verder wordt vaak gekozen voor een polsspalk, injectie of operatieve behandeling.

Polsspalk

Door het dragen van een spalk of brace tijdens de nacht krijgen pols en hand rust. Dit kan herstel van het Carpaaltunnelsyndroom bevorderen. Bij een deel van de patiënten helpt de spalk helaas onvoldoende.

Injectie

Een andere behandeling van het Carpaaltunnelsyndroom bestaat uit een lokale injectie in de pols met een vloeistof die bestaat uit een combinatie van verdovingsvloeistof en een ontstekingsremmer. Veel patiënten hebben baat bij deze injectie. Na een injectie kunnen zij de normale activiteiten de dag na de behandeling hervatten.
Het nadeel van de injectie is dat bij een deel van de patiënten de klachten terugkomen, soms na enige weken, soms na vele maanden. De risico’s van een injectie zijn gering en de overgrote meerderheid van de patiënten verdraagt de injectie zeer goed. Bij een enkeling is er de eerste dagen na de injectie een tijdelijke toename van de klachten.

Operatie

Een andere mogelijkheid is een operatie. De operatie wordt uitgevoerd door de plastisch chirurg. De chirurg maakt meer ruimte voor de zenuw in de pols. Een operatie is echter geen garantie voor volledig herstel. Ook moeten patiënten moeten er rekening mee houden dat zij na de operatie de hand een paar weken niet normaal kunnen gebruiken omdat zij moeten herstellen.

Vóór de operatie

De operatie vindt normaal gesproken plaats onder plaatselijke verdoving.
Bij een plaatselijke verdoving mag u kort na de operatie naar huis. Als de operatie onder algehele narcose plaatsvindt, blijft u een dag in het ziekenhuis. In dit geval wordt u, voordat u wordt opgenomen, onderzocht op de polikliniek Pre-operatieve Screening.

Pre-operatieve screening en anesthesie

Bij elke patiënt die een operatie onder algehele narcose ondergaat bekijkt de anesthesioloog eerst of de operatie extra gezondheidsrisico’s oplevert. Dit noemen we pre-operatieve screening. Nadat u met de plastisch chirurg heeft afgesproken dat u geopereerd wordt, krijgt u een verwijzing naar de polikliniek Pre-operatieve screening. U kunt hier alleen op afspraak terecht. Bij de pre-operatieve screening vult u een vragenlijst in over uw medische geschiedenis. Daarna heeft u een gesprek met een verpleegkundige of anesthesioloog. Dit gaat over uw gezondheid, medicijnen die u gebruikt, allergieën, doorgemaakte ziekten en eerdere operaties. Ook krijgt u uitleg over de vorm van verdoving (anesthesie). Afhankelijk van uw leeftijd en ziektegeschiedenis, is het mogelijk dat de anesthesioloog u doorverwijst naar een internist, cardioloog of longarts voor aanvullend onderzoek.
Gebruikt u medicijnen? Neem dan een overzicht mee van de medicijnen die u gebruikt. De anesthesioloog spreekt met u af hoe u met uw medicijnen om moet gaan op de dagen rondom de operatie. U krijgt de folder ‘Anesthesie’ van de arts of verpleegkundige op de polikliniek Pre-operatieve screening. In die brochure leest u meer over de vorm van verdoving die u krijgt en de gang van zaken op de dag van de operatie. Ook leest u belangrijke informatie over hoe u die dag om moet gaan met eten, drinken en roken.
De polikliniek Pre-operatieve screening is telefonisch bereikbaar van maandag t/m vrijdag tussen 08.00 en 17.00 via telefoonnummer 040 – 239 85 01.

Aandachtspunten vóór de operatie:
  • Als u bloedverdunners gebruikt, dan maakt u daarover afspraken. U krijgt van uw arts instructies over het stoppen of doorgaan met uw bloedverdunners.
  • Roken vergroot de kans op problemen bij de wondgenezing. Daarom adviseren wij patiënten om vanaf zes weken vóór tot zes weken ná de operatie niet te roken.
  • Voor de operatie mag u alleen paracetamol innemen. Andere pijnstillers, zoals Aspirine of Naprosyne, maar ook die u zonder recept kunt verkrijgen, kunnen het risico op bloedingen verhogen.
  • Indien de operatie onder algehele narcose plaatsvindt, dient u ‘nuchter’ te zijn om braken te voorkomen. Dit betekent 6 uur voor de operatie niet eten of drinken. Meer informatie leest u in de folder ‘Anesthesie’.
  • Zolang u het drukverband na de operatie om de arm heeft, mag u niet zelf autorijden. Regel dus van tevoren vervoer naar huis.

De opname

Als u onder lokale verdoving geopereerd wordt, vindt de operatie plaats op de poliklinische behandelkamers. Op de afgesproken dag en tijd meldt u zich hiervoor bij de balie van de afdeling OK-Dagbehandeling.

Als uw ingreep onder algehele narcose wordt uitgevoerd, wordt u ter voorbereiding opgenomen op de verpleegafdeling. Het betreft dan een dagopname en u kunt dezelfde dag nog naar huis.

Wat gebeurt er bij de operatie?

Vlak voor de operatie kan het zijn dat de plastisch chirurg op uw lichaam een tekening maakt (het operatieplan). Deze tekening geeft aan hoe de operatie gaat verlopen.
In sommige gevallen krijgt u een strakke band om de arm om bloeding tijdens de operatie te vermijden. Bij de operatie wordt via een snee in de huid van de handpalm de tunnel over zijn gehele lengte geopend waardoor de druk op de zenuw verdwijnt. Zo kan de zenuw zich herstellen. De duur van de gewone operatie is ongeveer tien minuten.

Na de operatie

Na de operatie zit er een drukverband om de hand dat drie dagen moet blijven zitten. Daarna mag u een elastische kous dragen voor overdag. Het is de bedoeling dat u direct vanaf de operatie al met uw vingers beweegt, dus ook in het drukverband.

Nadat het verband verwijderd is, mag u weer met de hand douchen.

Na de ingreep kunt u een pijnlijke hand hebben. Dit kunt u tegengaan met paracetamol om de zes uur twee tabletten paracetamol van 500 milligram. Als de pijn hiermee niet vermindert, kan het zijn dat door zwelling van de hand het verband te strak is gaan zitten. U mag het verband dan zelf voorzichtig losser maken en opnieuw aanbrengen. De pijn kan nog enkele weken tot maanden na de operatie rond het operatielitteken aanwezig zijn. Meestal verdwijnen de tintelingen en doofheid snel, maar dit kan ook wat langer duren. De zenuw moet zich namelijk herstellen.

Er kunnen enkele maanden overheen gaan voordat de kracht in de hand en pols weer hersteld is. Soms komt de kracht niet geheel terug. In uitzonderlijke gevallen kunnen de verschijnselen van de ziekte terugkeren, bijvoorbeeld bij werk met herhalende bewegingen.

Uw eerste controleafspraak op de polikliniek is tien tot veertien dagen na de ingreep. Dan worden de hechtingen door de verpleegkundige verwijderd. Nadat de hechtingen verwijderd zijn, is het verstandig de littekens twee maal daags met een hydraterende (litteken) crème in te masseren.

Leefregels na de operatie

Gedurende drie tot vier weken mag de hand niet zwaar worden belast.

Mogelijke complicaties en risico’s

Algemene complicaties en risico’s

Een operatie voor het Carpaaltunnelsyndroom heeft dezelfde algemene risico’s als een andere operatie, zoals:

  • risico’s van de narcose
  • trombose
  • een nabloeding
  • het optreden van infecties
  • stoornissen in de wondgenezing
  • lelijke littekenvorming
Specifieke complicaties en risico’s
  • Langdurige pijn in het geopereerde gebied (Pillar Pain). Dit is een normaal verschijnsel waar alleen masseren en de tijd/wachten bij helpt.
  • Zenuwbeschadiging, die leidt tot gevoels- of motoriekstoornissen.
  • In een zeer enkel geval kan posttraumatische dystrofie ontstaan. Hierbij ontstaan functie- en gevoelsstoornissen die lange tijd aanhouden, soms zelfs met blijvende beperkingen en invaliditeit van de hand.
  • Uiteraard doen wij er alles aan om deze risico’s zo tot een minimum te beperken. Natuurlijk verwachten wij van u dat u zich aan de leefregels houdt.

Wanneer moet u direct contact opnemen?

In de volgende situaties is het belangrijk dat u contact opneemt:

  • Als u na de operatie koorts krijgt boven de 38,5ºC en de hand geheel of gedeeltelijk warm en pijnlijk aanvoelt.
  • Bij zwelling en pijn die niet reageert op pijnstillers.
  • Bij een hevig bloedende operatiewond.
  • Bij toenemende roodheid en zwelling van het wondgebied.

Buiten kantoortijden kunt u de Spoedeisende Hulp bellen.

Verhinderd

Kunt u niet naar een afspraak komen? Meld dit dan zo snel mogelijk bij de polikliniek Plastische chirurgie. Er kan dan een andere patiënt in uw plaats komen.

Opleidingsziekenhuis

Het Catharina Ziekenhuis is een opleidingsziekenhuis. Wij leiden artsen, verpleegkundigen en andere zorgverleners op. Dit betekent dat ook een zorgverlener in opleiding uw behandeling, onderzoek of operatie kan uitvoeren. Maar dit is niet altijd zo. Uw veiligheid staat altijd bij ons voorop. Als een zorgverlener in opleiding u helpt, werkt deze altijd onder begeleiding van een gediplomeerd zorgverlener. Als u niet wilt dat een zorgverlener in opleiding u helpt, dan kunt u dit met uw arts bespreken.

Vragen

Heeft u na het lezen van deze folder nog vragen, neem dan contact op met de polikliniek Neurologie of Plastische chirurgie. 

Contactgegevens

Catharina Ziekenhuis
Telefoon 040 – 239 91 11
www.catharinaziekenhuis.nl

Spoedeisende Hulp
040 – 239 96 00

Polikliniek Neurologie
040 – 239 94 00

Polikliniek Plastische chirurgie
040 – 239 71 20

© 2022 Catharina Ziekenhuis - Alle rechten voorbehouden