Operatie bij eierstokkanker (Folder)

Catharina Kanker Instituut Gynaecologie
Michelangelolaan 2
5623 EJ Eindhoven
040 - 239 91 11
Catharina een Santeon ziekenhuis

Operatie bij eierstokkanker (Folder)

Uw behandelend gynaecoloog heeft met u besproken dat u eierstokkanker heeft (gehad). Mogelijk is er sprake van doorgroei naar de omliggende organen. Binnenkort ondergaat u een operatie die behalve lichamelijk ook emotioneel diep op u in kan werken. In deze folder vindt u informatie over de gang van zaken rondom deze operatie. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan hier is beschreven. Algemene informatie over uw opname vindt u in de folder ‘Informatie over uw opname’.

Voorbereidingen

Pre-operatieve screening en anesthesie

U wordt geopereerd en bent daarom doorverwezen naar de polikliniek Pre-operatieve screening. Op deze polikliniek bekijkt de anesthesioloog of de operatie voor u extra gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Dit noemen we pre-operatieve screening. Tijdens dit gesprek komen een aantal onderwerpen aan bod. Dit zijn onder andere de soort verdoving (anesthesie) en pijnstilling. Ook bespreekt u waarop u moet letten met eten, drinken en roken op de dagen rondom de operatie. Daarnaast maakt u afspraken over hoe u op die dagen uw medicijnen gebruikt. Dit geldt ook voor bloedverdunners. Bespreek het gebruik van bloedverdunners ook altijd met uw behandelend arts. Als u medicijnen gebruikt, neem dan een actueel medicijnoverzicht of medicijnpaspoort mee en laat uw medicijnpaspoort registreren bij de medicatieregistratie (kijk op de website voor routenummers: www.catharinaziekenhuis.nl/routenummers) voordat u de pre-operatieve screening bezoekt.

Op de polikliniek Pre-operatieve screening kunt u alleen op afspraak terecht. De polikliniek is telefonisch bereikbaar van maandag t/m vrijdag tussen 08.00 en 17.00 uur via telefoonnummer 040 – 239 85 01..

Meer informatie over pre-operatieve screening en verdoving vindt u in de folder ‘Anesthesie’.

Gesprek verpleegkundige gynaecologische oncologie

U heeft op de polikliniek een intakegesprek met de verpleegkundige gynaecologische oncologie (VGO) of verpleegkundig specialist (VS). Zij stelt u vragen en verzamelt gegevens die voor uw opname van belang zijn. Ook kunt u uw gevoelens/ emoties die met uw ziekte te maken hebben met haar bespreken en uw vragen stellen.

Wetenschappelijk onderzoek

In het Catharina Ziekenhuis wordt veel wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Als u in aanmerking komt voor een onderzoek in studieverband, wordt u hierover op de polikliniek ingelicht. De researchmedewerker neemt contact met u op indien van toepassing.

Gesprek stomaverpleegkundige

Op de polikliniek heeft u een gesprek met een stomaverpleegkundige en een algemeen chirurg. De stomaverpleegkundige geeft u voorlichting over het eventueel te plaatsen stoma voor de ontlasting. In overleg met u bepaalt zij de plaats waar het eventuele stoma komt en tekent deze plaats af op uw huid. Het aftekenen kan ook op de verpleegafdeling gedaan worden tijdens uw opname.

Niet scheren

Om infecties van de operatiewond te voorkomen is het belangrijk dat u het operatiegebied niet scheert. Scheren kan kleine wondjes veroorzaken die soms met het blote oog nauwelijks zichtbaar zijn. Deze wondjes verhogen de kans op het ontstaan van infecties van de operatiewond. Dit kan een reden zijn om uw operatie uit te stellen. Als uw arts het nodig vindt om lichaamshaar te verwijderen, dan gebeurt dit met een tondeuse op de operatiekamer.

De opname

Meestal wordt u op de dag van de operatie opgenomen op de afdeling Kortverblijf – opname unit. Van daaruit wordt u naar de operatiekamer gebracht. Datum en tijdstip waarop u wordt verwacht, wordt u telefonisch medegedeeld door het planbureau Gynaecologische Oncologie. Als de arts dit heeft voorgeschreven, wordt u op de dag vóór de operatie gelaxeerd. Dit zorgt ervoor dat uw darmen voor de operatie zo leeg mogelijk zijn. U krijgt een injectie in het bovenbeen ter voorkoming van trombose. Deze wordt u tijdens uw opname dagelijks toegediend.

De operatie

De operatie, die een ‘debulking- operatie’ of een ‘stadiëringslaparotomie’ wordt genoemd, wordt uitgevoerd door één of twee gynaecoloog-oncologen. Meestal wordt een huidsnede gemaakt van het schaambeen tot boven de navel, zodat het operatieveld goed zichtbaar is.

Bij deze operatie worden meestal uw gehele baarmoeder, eileiders en eierstokken verwijderd. Ook wordt meestal het buikschort (omentum) weggehaald en er worden stukjes weefsel (biopten) genomen van het buikvlies. Indien nodig worden ook de lymfeklieren langs de grote slagader en ader verwijderd. Het verloop van de operatie is bij iedereen anders en is van tevoren niet precies aan te geven.

Het kan nodig zijn om ook een stukje van de (dunne of dikke) darm weg te halen. Soms moet daarom een stoma voor de ontlasting worden aangelegd. Dit kan een tijdelijk of een blijvend stoma zijn. Hierover krijgt u van de stomaverpleegkundige informatie.

Tijdens de operatie krijgt u een infuus in uw arm en zo nodig in uw halsader. Hierdoor worden verschillende vloeistoffen toegediend, zoals voedingsstoffen en indien nodig bloed.

Tijdens de narcose werken de darmen minder, ze voeren geen maagsappen af. Als u onder narcose bent, wordt daarom een maagslang ingebracht. Dit is een dunne slang die via de neus en slokdarm naar de maag loopt en ervoor zorgt dat de maagsappen naar een opvangzak worden afgevoerd. De werking van de darmen komt na de operatie weer geleidelijk op gang.

Door een tweede slangetje, eveneens in uw neus, wordt extra zuurstof toegediend. Dit slangetje zit slechts enkele centimeters in de neusholte en is met een pleister op uw neus geplakt.

Bij de operatie wordt een blaaskatheter ingebracht. Dit is een dun slangetje in de blaas dat zorgt voor een constante afvoer van urine naar de opvangzak naast uw bed. Ook kunnen tijdens de operatie dunne slangetjes (drains) in het operatiegebied zijn aangebracht om bloed en wondvocht af te voeren.

Duur van de operatie

De operatie duurt twee tot vijf uur.

Na de operatie

De anesthesist brengt u direct na de operatie naar de uitslaapkamer (verkoeverkamer) waar u blijft tot u goed wakker bent. Daarna gaat u terug naar de verpleegafdeling. Soms gaat u naar de Intensive Care waar u een nacht verblijft. Op de Intensive Care kunnen artsen en verpleegkundigen u met bewakingsapparatuur extra in de gaten houden.

Pijnbestrijding

Na de operatie is pijnbestrijding nodig om ervoor te zorgen dat u pijnloos kunt bewegen, hoesten en goed kunt doorademen. Dit is belangrijk om eventuele complicaties zoals longproblemen en trombose te voorkomen. Bovendien kost pijn energie. Deze energie heeft u hard nodig voor uw herstel. Waarschuw de verpleegkundige als u pijn heeft. Wacht niet tot het onhoudbaar wordt. Pijn voorkomen is in dit geval gemakkelijker en beter dan pijn behandelen.

U mag weer wat eten en drinken zodra u terug bent op de verpleegafdeling. Dit bevorderdt de darmwerking. Het snel hervatten van eten en drinken geeft geen extra risico’s. Bouw de hoeveelheid die u eet langzaam op.  Vaak krijgt u pijnbestrijding via een injectie in de spieren of indien mogelijk via een zetpil. Soms is door de anesthesist voorafgaand aan de operatie een dun slangetje in de rug gebracht waardoor een verdovingsmiddel kan worden gegeven (epidurale verdoving). Het kan zijn dat de pijnbestrijding na de operatie via dit slangetje wordt voortgezet. Een andere vorm van pijnbestrijding is via een PCA- pomp. Met deze pomp kunt u zelf de pijnbestrijding doseren, omdat deze is gekoppeld aan een infuus.

Wat kunt u verwachten na de operatie?

Trombose en antistolling

Trombose is het ontstaan van een bloedpropje in het bloed. Vaak ontstaat dit in het been, we noemen het dan een diep veneuze trombose (DVT) of trombosebeen. Een trombus kan in het been blijven zitten, maar kan ook losschieten en ergens anders in het lichaam vast komen te zitten, bijvoorbeeld in de longen. Dit noemen we dan een longembolie.

Patiënten met kanker hebben een verhoogd risico om een trombose te krijgen. Dit heeft te maken met de samenstelling van het bloed. Tumoren geven stofjes af in het bloed die er voor zorgen dat het bloed makkelijker samenklontert. Op het moment dat u ook een operatie ondergaat komt daar een extra risicofactor bij. Na een operatie zult u moeten herstellen en een periode minder in beweging zijn dan voor de operatie. Het resultaat hiervan is dat het bloed in de benen vaker en langer “stilstaat”. De kuitspieren helpen normaal namelijk mee om het bloed vanuit de benen weer verder om hoog te pompen. Wanneer u veel ligt, maar ook zit, zijn de kuitspieren niet/minder aan het werk en zal het bloed dus moeilijker uit de benen gepompt worden, waardoor het makkelijker samenklontert.

Om dit te voorkomen krijgt u op de dag van opname en gedurende de opname, en na ontslag, gedurende 4 weken, 1x per dag een injectie met een antistollingsmiddel (Fragmin). Tijdens de opname zal de verpleegkundige van de afdeling u leren hoe u deze spuitjes bij uzelf kunt toedienen.

Na de operatie zal zo snel mogelijk gestart worden met bewegen. Eerst onder begeleiding van een verpleegkundige en later zelfstandig. Zodra u terug bent op de verpleegafdeling, mag u proberen op de rand van het bed te gaan zitten. De dagen na de operatie wordt het bewegen verder uitgebreid.

Ook is het heel belangrijk dat u goed doorademt, ook al is dat pijnlijk. Een kussentje ter ondersteuning van uw buik verzacht de pijn, vooral bij het hoesten.

Maagsonde

Indien nodig is de maagsonde na de operatie nog aanwezig. De dag na de operatie komt de gynaecoloog langs om u te vertellen hoe de operatie is verlopen. Ook luistert de gynaecoloog naar uw darmen. Als deze weer voldoende werken, komt er een stopje op de sonde. U mag dan ook een slokje water drinken. Gaat dit goed en wordt u niet misselijk, dan mag de sonde worden verwijderd. Wordt u wel misselijk dan verwijdert men het stopje en sluit men het slangetje aan op een opvangzak. De procedure wordt na een tijdje herhaald of als u zich niet goed voelt, uitgesteld tot de volgende dag. Heeft u een maagsonde die is aangesloten op een opvangzak? Dan mag u, in overleg met de verpleegkundige, gerust een slokje water drinken. Dit verzacht het vervelende gevoel in uw keel.

Zodra de maagsonde verwijderd is, mag u weer kleine beetjes drinken. U mag dit langzaam uitbreiden naar meer drinken, vloeibare voeding, en van licht verteerbaar voedsel naar uw normale voedingspatroon.

Zuurstofslangetje

Als u nog een zuurstofslangetje heeft, wordt dit meestal de ochtend na de operatie verwijderd.

Infuus

Het moment van het verwijderen van het infuus is afhankelijk van de werking van de darmen en het ijzergehalte in uw bloed (Hb).

Blaaskatheter

De katheter, een dun slangetje in de blaas, zorgt voor een constante afvoer van urine naar de opvangzak naast uw bed. Deze katheter wordt in opdracht van de gynaecoloog verwijderd.

Drains

Als er niet zoveel wondvocht meer wordt geproduceerd, worden de slangetjes in de buik (indien aanwezig) na overleg met de gynaecoloog verwijderd.

Wondverzorging

De wond wordt meestal gesloten met een inwendige oplosbare hechting en dagelijks gecontroleerd. Als de wond droog is, hoeft er geen pleister meer op.

Stoma

Als u een stoma heeft gekregen, komt de stomaverpleegkundige bij u langs op de verpleegafdeling. Zij begeleidt u en leert u om het aangelegde stoma te verzorgen.

Ontlasting (als u geen stoma heeft)

Heeft u op de vijfde dag na de operatie nog geen ontlasting gehad? Dan krijgt u in overleg met de verpleegkundige een laxeermiddel.

Uitslag

Het verwijderde weefsel wordt opgestuurd naar de patholoog. Deze onderzoekt het weefsel onder de microscoop. De behandelend gynaecoloog bespreekt de uitslag van dit onderzoek na ongeveer zeven dagen met u en uw partner en/of de door u gewenste personen. Aansluitend is er een afspraak met de VGO/VS voor praktische informatie en aanvullende vragen of psycho-sociale begeleiding. Bij ontslag ontvangt u de controleafspraken op de polikliniek gynaecologische oncologie. De afspraken kunt u tevens inzien in het patientenportaal MijnCatharina. Vraag uw partner en/of de door u gewenste personen bij het gesprek aanwezig te zijn.

Aanvullende behandelingen

Soms is na de operatie aanvullende behandeling nodig. Als dit bij u het geval is, dan krijgt u hierover informatie.

Naar huis

Afhankelijk van uw herstel kunt u na vijf tot zeven dagen weer naar huis. Dit kan langer of korter zijn afhankelijk van uw persoonlijke situatie. In het begin kunt u thuis niet alles zelf doen. Neem voldoende rust en ga bijvoorbeeld ’s middags even liggen.

Schakel tijdig uw sociale netwerk of mantelzorgers in voor ondersteuning

Herstel

Uw lichamelijke conditie zal geleidelijk verbeteren. Het herstel duurt meestal enkele maanden. Het is niet precies te zeggen wanneer u uw normale werkzaamheden kunt hervatten. Over het algemeen kunt u na ongeveer drie maanden weer goed functioneren. Blijf naar uw lichaam luisteren.

De manier van omgaan met gevoelens is voor iedereen anders. De één heeft er behoefte aan om veel over de ziekte te praten, de ander verwerkt het liever in zichzelf. Praten over uw gevoelens is belangrijk, vooral met uw partner en de mensen uit uw naaste omgeving.

Controles

Na de operatie komt u regelmatig ter controle op de polikliniek bij de gynaecoloog/ oncoloog of verpleegkundig specialist. In de loop der jaren wordt het aantal controlebezoeken minder. Tijdens de controlebezoeken bespreekt de gynaecoloog of verpleegkundig specialist hoe het met u gaat. Daarna verricht de arts of verpleegkundig specialist een algemeen lichamelijk onderzoek en een inwendig onderzoek.

Daarnaast is de verpleegkundige gynaecologische oncologieuw eerste contactpersoon. U kunt bij de VGO terecht voor praktische informatie, lichamelijke klachten, aanvullende vragen en/ of psychosociale begeleiding.

Mogelijke gevolgen van de operatie

  • Plassen: soms is het functioneren van de blaas na de operatie wat veranderd. Het kan zijn dat u af en toe wat urine verliest of vaker op een dag moet plassen. Het kan zijn dat u de eerste tijd (weken tot maanden) niet goed kunt uitplassen. Om een urineweginfectie te voorkomen moet u de blaas dan met een slangetje leeg laten lopen. De verpleegkundige leert u hoe u dit doet.
  • Lymfoedeem: soms krijgen vrouwen last van vochtophoping ten gevolge van lymfoedeem. De vorm van de (boven)benen kan veranderen. Bespreek deze klachten met de gynaecoloog, VGO of VS.
  • Menstruatie: in het algemeen zijn vrouwen die kanker aan de eierstok(ken) krijgen de overgang gepasseerd, zodat zij niet meer menstrueren. Als u nog wel menstrueerde, zal dit na de operatie niet meer gebeuren als uw baarmoeder en/of beide eierstokken zijn verwijderd. Als u nog niet in de overgang bent, kunnen overgangsklachten optreden: overmatig transpireren, opvliegers en depressieve buien. Dit komt omdat er geen hormonen (oestrogeen en progesteron) meer worden geproduceerd. De gynaecoloog kan zo nodig hormoonvervangende medicijnen (oestrogenen) voorschrijven.
  • Onvruchtbaarheid: na de operatie kunt u geen kinderen meer krijgen. Voor jonge mensen met een kinderwens is dit een extra zware belasting. Maar ook een vrouw met kinderen kan het als een probleem ervaren dat het krijgen van een kind definitief onmogelijk is.
  • Seksualiteit: geslachtsgemeenschap is medisch gezien na ongeveer zes weken weer mogelijk, als de wonden genezen zijn. Dit wordt gecontroleerd op de polikliniek. Emotioneel kan het echter veel langer duren voor u weer plezier beleeft aan vrijen. De verandering in de beleving van seksualiteit na deze operatie is voor iedere vrouw verschillend. Vooral de zin in vrijen kan een lange periode afwezig of verminderd zijn. Intimiteit, genegenheid en knuffelen zijn in deze periode erg belangrijk. Het orgasme kan anders zijn dan voor de operatie, vooral als u tijdens een orgasme de baarmoeder voelde samentrekken. Het is belangrijk met uw partner over uw gevoelens te praten. Ook deze zal in het begin onzeker zijn. Mochten er problemen op seksueel gebied ontstaan, dan kunt u deze met de behandelend gynaecoloog, verpleegkundig specialist en/of verpleegkundige gynaecologische oncologie bespreken.

Leefregels

Conditie Het kan zijn dat u zich sneller moe voelt en dat u minder aan kunt dan verwacht. Uw lichaam geeft aan wat u kunt en wat niet. Luister naar uw lichaam! Stop als u moe wordt en gun uzelf voldoende rust.
Tillen Gedurende zes weken mag u niet zwaar tillen (maximaal 2kg). Dus geen boodschappentassen, wasmanden of  vuilniszakken tillen. Lichte werkzaamheden kunt u geleidelijk aan weer doen.
Sporten Gedurende zes weken mag u niet intensief sporten.

U mag natuurlijk wel, als u geen klachten heeft steeds meer doen. Wandelen is altijd goed.

Baden/Douchen Douchen mag elke dag.

U mag niet in bad tot de gynaecoloog en/ of verpleegkundig specialist met u afspreekt dat dit weer mag.

Fietsen Gedurende zes weken mag u niet fietsen.
Autorijden Gedurende zes weken mag u niet autorijden.
Werken Overleg met uw werkgever/ arboarts wanneer u lichte werkzaamheden kunt hervatten of vervangend werk kunt doen.
Afscheiding U kunt nog wat bloed of bruine afscheiding verliezen. Tot maximaal twee weken na de operatie mag u bloedverlies hebben. Bruine afscheiding is tot maximaal zes weken na de operatie normaal.
Gebruik tijdens deze periode geen tampons.
Geslachtsgemeenschap U mag zes weken geen geslachtsgemeenschap hebben.

Intimiteit en het krijgen van een orgasme is wel toegestaan.

Wanneer neemt u direct contact op?

  • bij nabloeding van de wond;
  • bij plotseling optredende koorts boven de 38,5 °C;
  • bij zwelling, roodheid van de wond;
  • bij problemen met uw eventuele ontlastingstoma;
  • wanneer u twee weken na de operatie nog vaginaal bloedverlies heeft;
  • wanneer u zes weken na de operatie nog bruine afscheiding heeft.

Neem in bovenstaande situaties en als u iets niet vertrouwt contact op met de verpleegkundigen van de polikliniek gynaecologische oncologie. Bij voorkeur tijdens het telefonisch spreekuur van 09.00 – 10.00 uur.

Als de vraag niet kan wachten tot het telefonisch spreekuur, kunt u contact opnemen met de assistent van de polikliniek gynaecologische oncologie.

Buiten kantooruren kunt u tot de eerste controleafspraak op de polikliniek contact opnemen met de verpleegafdeling. Daarna kunt u buiten kantooruren contact opnemen met de Spoedeisende Hulp.

Natuurlijk kunt u ook uw huisarts raadplegen. De telefoonnummers van het ziekenhuis vindt u onder ‘Contactgegevens’.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u terecht bij de volgende instanties.

www.kanker.nl

Betrouwbare informatie per kankersoort. Gebruik de zoekterm ‘eierstokkanker’. Tevens kunt u online vragen stellen middels een chatfunctie.

Stichting OLIJF

Netwerk van vrouwen met gynaecologische kanker
www.olijf.nl/contact
Telefoonnummer: 088 – 002 97 29
E-mail: secretariaat@olijf.nl

Nederlandse Kankerbestrijding (KWF)

www.kwf.nl
Hulp- en informatielijn: 0800 – 022 66 22

Inloophuis de Eik

Klein Tongelreplein 8
5613 KK Eindhoven
Telefoonnummer: 040 – 293 91 42
info@inloophuis-de-eik.nl
www.inloophuis-de-eik.nl

Stichting Nederlands Netwerk voor Lymfoedeem & Lipoedeem (NL Net)

info@lymfoedeem.nl
www.lymfoedeem.nl

Opleidingsziekenhuis

Het Catharina Ziekenhuis is een opleidingsziekenhuis. Wij bieden tal van opleidingsmogelijkheden voor artsen, verpleegkundigen en paramedische beroepen en werken daarin nauw samen met opleidingscentra en –ziekenhuizen in de regio. Dit kan betekenen dat uw behandeling, onderzoek of operatie (mede) uitgevoerd wordt door een zorgverlener in opleiding. Denk hierbij aan een arts in opleiding tot specialist, een co-assistent of een verpleegkundige in opleiding. Veiligheid is het allerbelangrijkste, daarom staat de zorgverlener in opleiding altijd onder supervisie van een gekwalificeerde zorgverlener. Indien u niet wenst geholpen te worden door een zorgverlener in opleiding, kunt u dit aangeven bij uw behandelend arts.

Vragen?

Heeft u na het lezen van deze folder nog vragen? Stel deze dan via het patiëntenportaal MijnCatharina. Log in via www.mijncatharina.nl en stuur een bericht aan uw zorgverlener via het kopje e-consult. Binnen drie werkdagen heeft u een antwoord. U kunt uw vraag ook stellen aan uw gynaecoloog-oncoloog of verpleegkundig specialist tijdens de polikliniekcontrole of telefonisch contact opnemen met de verpleegkundigen van de gynaecologische oncologie.

Contactgegevens

Catharina Ziekenhuis
040 – 239 91 11
www.catharinaziekenhuis.nl

Binnen kantooruren:
Telefonisch spreekuur (09.00 tot 10.00 uur)
verpleegkundige gynaecologische oncologie
040 – 239 66 80

Polikliniek gynaecologische oncologie
040 – 239 66 77

Planbureau gynaecologische oncologie (10.00 tot 11.00)
(bij vragen over planning van uw operatie)
040 – 239 93 10

Buiten kantooruren:
Verpleegafdeling Chirurgische oncologie
(tot de eerst volgende poli controle):
040 – 239 75 00

Spoedeisende Hulp
040 – 239 96 00

Routenummer(s) en overige informatie over de polikliniek Gynacologie vindt u op www.catharinaziekenhuis.nl/gynaecologie

 

Een deel van de tekst in deze folder is (na toestemming) overgenomen van de website van het UMC St Radboud. De inhoud is aangepast aan de situatie zoals die zich voordoet in het Catharina Ziekenhuis.

 

© 2021 Catharina Ziekenhuis - Alle rechten voorbehouden