Sneller uitsluitsel bij mogelijke hartproblemen vraagt meer dan een nieuw protocol
Patiënten met pijn op de borst kunnen sneller duidelijkheid krijgen over een mogelijk hartinfarct. Een nieuwe Europese richtlijn werd daarvoor in 2021 aangenomen. In veel gevallen is binnen één uur vast te stellen of er sprake is van een acuut hartinfarct. Maar hoe voer je zo’n nieuw protocol in vier ziekenhuizen tegelijkertijd en zo efficiënt mogelijk in? Daar doet Jeroen van de Pol van het Nederlands Hart Netwerk onderzoek naar.
De verandering draait om een bloedtest die de aanwezigheid van troponine meet, een stof die vrijkomt bij schade aan het hart. Waar artsen voorheen na drie uur een tweede meting deden, gebeurt dat nu al na één uur. “De kern is dat artsen een hartinfarct zo vroeg mogelijk kunnen uitsluiten,” zegt onderzoeker en projectleider Jeroen van de Pol van het Nederlands Hart Netwerk.
Dat levert patiënten winst op: zij weten sneller waar ze aan toe zijn. Wie geen infarct heeft, kan eerder naar huis. Bij patiënten bij wie een hartinfarct waarschijnlijk is, kan sneller worden behandeld. Internationaal onderzoek liet al zien dat deze aanpak veilig is en leidt tot efficiëntere zorg.
Hoe zorg je dat ziekenhuizen een protocol daadwerkelijk toepassen?
Het onderzoek van Van de Pol richt zich niet op de effectiviteit van de test zelf, maar op de implementatie ervan. Hoe zorg je dat vier ziekenhuizen (Catharina Ziekenhuis, Máxima MC, Anna Ziekenhuis en het Elkerliek Ziekenhuis), elk met hun eigen werkwijzen en systemen, zo’n protocol daadwerkelijk en consistent toepassen?
Binnen het Nederlands Hart Netwerk, een regionaal samenwerkingsverband op het gebied van veelvoorkomende hartaandoeningen, kozen cardiologen, verpleegkundigen en andere betrokkenen voor een gezamenlijke, gelijktijdige aanpak, waarbij de invoering stap voor stap werd uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast.
’Tijdens de invoering werden patiëntgegevens geanalyseerd en interviews gehouden met zorgverleners om inzicht te krijgen in wat goed ging en wat niet. Die combinatie van cijfers en praktijkervaring blijkt cruciaal. “Alleen met data zie je of het echt werkt, maar je hebt de gesprekken nodig om te begrijpen waarom dingen anders lopen”, zegt Van de Pol.
Positieve eerste resultaten
De eerste resultaten zijn positief. In de onderzochte ziekenhuizen werd de tweede bloedtest volgens het nieuwe schema vaker al na één uur uitgevoerd. Toch laat de praktijk een minder strak beeld zien dan de richtlijn voorschrijft. Op basis van de data bleek dat er nog steeds bloedtesten na drie uur aangevraagd werden, volgens het oude schema. Dat wijst op een proces van gewenning en aanpassing. “Je bent er niet met één keer implementeren”, aldus Van de Pol. “Het is een continu proces van opvolgen en bijsturen.”
Uit interviews blijkt dat afwijkingen van het protocol verschillende oorzaken hebben. Zo kan de doorlooptijd in het laboratorium een struikelblok zijn: als de uitslag van de eerste test op zich laat wachten, wordt het lastig om het tijdschema precies te volgen.
Daarnaast speelt de arts zelf een belangrijke rol. “Ervaren cardiologen gebruiken het protocol vaker als richtlijn dan als strikte regel. Zij laten hun klinische oordeel meewegen en wijken soms bewust af. Jongere artsen doen eerder het omgekeerde: zij houden zich juist nauwgezet aan het protocol, mede uit zekerheid en het vermijden van fouten.”
Samenwerking in de regio
Een opvallende uitkomst van het onderzoek is de rol van regionale samenwerking. Door ervaringen en data te delen, kunnen ziekenhuizen sneller leren en bijsturen. “Als je dit in één ziekenhuis doet, los je problemen alleen op,” zegt Van de Pol. “Maar in een netwerk leer je van elkaar en voorkom je dat iedereen dezelfde fouten maakt. Daar zit voor alle partijen winst in.”
Die gezamenlijke aanpak leidt uiteindelijk tot meer regionale consistentie in de zorg. Tegelijkertijd onderstreept het onderzoek dat richtlijnen nooit één-op-één kunnen worden overgenomen. De praktijk vraagt om aanpassing aan lokale omstandigheden, van laboratoriumcapaciteit tot training en scholing van personeel.
De belangrijkste les is daarmee breder dan dit ene protocol: verbeteringen in de zorg beginnen niet bij nieuwe kennis, maar bij de manier waarop die kennis in de praktijk wordt toegepast. “Hopelijk zorgt dit onderzoek ervoor dat het invoeren van nieuwe protocollen in de toekomst weer sneller gaat, om zo de patiëntenzorg efficiënter en effectiever te maken.”
