Boezemfibrilleren: data patiënten van nu zorgt voor betere zorg in de toekomst

Hartkloppingen, benauwdheid, vermoeidheid: veel mensen met boezemfibrilleren herkennen het meteen. Onderzoeker Mileen van de Kar laat zien hoe patiënten sneller en veiliger geholpen kunnen worden.

Afgelopen vrijdag (13 maart) promoveerde zij aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) met het onderzoek dat ze deed in het Catharina Ziekenhuis. In haar promotieonderzoek keek ze naar de zorg voor mensen met boezemfibrilleren, de meest voorkomende hartritmestoornis. “Door slim gebruik van gegevens die we al hebben, kunnen we de zorg voor de patiënt én voor de zorgverlener verbeteren”, concludeert Van de Kar hoopvol.

Boezemfibrilleren voelt niet voor iedereen hetzelfde. “In het algemeen voel je een onregelmatige hartslag. Het kan zich uiten in hartkloppingen; je kunt het merken bij inspanning. Dan krijg je kortademigheidsklachten, vermoeidheid, of je ligt wakker van de hartkloppingen.” Door het onregelmatige kloppen kunnen stolsels ontstaan, waardoor de kans op een beroerte stijgt.

“Gegevens uit de dagelijkse zorgpraktijk laten zien hoe een behandeling uitpakt”, zegt Van de Kar. “In studies is alles strak geregeld met een strenge selectie van patiënten; hier zie je patiënten die je dagelijks in de spreekkamer tegenkomt. Dat noemen we real-world data.” Ze combineerde die data met registraties, zoals de Nederlandse Hartregistratie (NHR) en data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). “Zo kun je zorg toetsen en verbeteren.”

Vrouw in witte doktersjas staat met gekruiste armen en glimlacht in heldere zorggang, mensen lopen op achtergrond.
Mileen van de Kar. Foto: Van Assendelft Fotografie/Catharina Ziekenhuis

Van bevriezen naar elektrische pulsen

De betreffende behandeling is een ablatie. Een belangrijk deel van Van de Kars onderzoek gaat daar over. Daarbij gaat een arts via een bloedvat in de lies met dunne slangetjes (de katheters) naar het hart om het stukje weefsel dat de ritmestoornis aanjaagt, uit te schakelen. In het Catharina Ziekenhuis werd een paar jaar geleden overgestapt van bevriezen, met de zogeheten cryoballon, naar pulsed field ablation, een techniek met elektrische pulsen.

Ze vergeleek de periode vóór en na de overstap. “Nieuwe techniek moet je in de praktijk blijven toetsen. Met patiëntgegevens hebben we gekeken of het echt beter uitpakt dan in studies wordt verwacht. Dat bleek zo: minder complicaties na de ingreep, en de behandeling ging sneller”, aldus Van de Kar. “Het gebeurt onder sedatie, niet onder algehele narcose. Daarna ga je naar onze Hartlounge en word je even in de gaten gehouden”, vertelt ze.

Sneller in je eigen ritme

Van de Kar onderzocht of mensen na ablatie dezelfde dag naar huis kunnen. “Dat was veilig, patiënten vonden het prettig, en we zagen geen toename aan problemen”, vertelt ze. Als de cardioloog tijdens de ingreep twijfelt, blijft iemand alsnog een nacht.

Wat de artsen in het Catharina Ziekenhuis, vooroploper op dit gebied, dus merkten – dat een nacht blijven slapen vaak niet meer nodig is – is ook een fijne constatering gezien de toenemende druk op de gezondheidszorg in Nederland. Dit kan helpen om de capaciteit beter te benutten. Voor patiënten scheelt het gedoe: je slaapt thuis en bent sneller weer in je eigen ritme.

Ze keek ook naar wat patiënten zélf ervaren. “Wij kijken normaal: is het ritme weer normaal, ja of nee. Maar vindt de patiënt het ook beter?”, legt ze uit. Patiënten vulden daarvoor vragenlijsten in. Daar zag ze een patroon: wie vooraf een lage kwaliteit van leven heeft, heeft vaker een tweede ingreep nodig. “Je kunt dat gebruiken voor verwachtingsmanagement”, weet Van de Kar. Als iemand vóór de ingreep al uitgeput is en weinig kan, bespreek je eerder dat herstel tijd kost en dat soms een tweede behandeling nodig is. Ook kan het helpen om eerst aan leefstijl te werken, zoals slaap, gewicht of alcohol.

Wel of geen bloedverdunners

Het tweede deel van het proefschrift gaat over mensen die na een hartoperatie tijdelijk boezemfibrilleren krijgen. “Ongeveer een kwart van de patiënten krijgt daar last van, maar vaak gaat het ook weer weg.” Dan volgt een lastige keuze: wel of geen bloedverdunners? Die verlagen het risico op stolsels, maar na een operatie kan het bloedingsrisico stijgen. In Nederland blijkt de aanpak te verschillen. “Minder dan de helft krijgt bloedverdunners, en het wisselt ook hoe lang.” In haar gegevens zag ze geen duidelijk verschil in overleving tussen wel of geen bloedverdunners. Dat is geen vrijbrief om te stoppen, maar wel een signaal dat maatwerk belangrijk is.

Mileen van de Kar verdedigde vrijdag 13 maart haar proefschrift ‘Real World Data for Value Improvement in Atrial Fibrillation Care’ onder begeleiding van promotor prof.dr. Lukas Dekker en copromotoren Dennis van Veghel en Luuk Otterspoor aan de TU/e. Het onderzoek laat zien hoe je de zorg rond boezemfibrilleren beter kunt afstemmen op klachten van patiënten, met minder wachten en minder onzekerheid. Van de Kar gaat nu verder met haar specialisatie tot huisarts.


© 2026 Catharina Ziekenhuis
Alle rechten voorbehouden